+31 (0) 35 647 08 78 [email protected]redres.nl ›
Kerk van Oterleek – de kerkzaal met het tongewelf
De kerkzaal met het tongewelf, Kerk van Oterleek. Foto: Redres

Geschiedenis · 5 min lezen

Van schuilkerk tot Bossche School: zo bouwde Nederland zijn kerken

Wie een kerk koopt of verkoopt, koopt ook een stuk geschiedenis. Een tocht langs vijf eeuwen kerkenbouw in Nederland: van de Beeldenstorm via de waterstaatskerk en de neogotiek naar de Amsterdamse School en de wederopbouw.

Bijna elk dorp in Nederland heeft er een: een toren die boven de daken uitsteekt, een schip met hoge ramen, een plein of een kerkhof ervoor. Kerken bepalen het silhouet van het land, en volgens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed telt Nederland er meer dan zesduizend. Ze zijn gebouwd in heel verschillende tijden, door heel verschillende gemeenschappen, en dat zie je eraan.

Wie een kerk koopt of verkoopt, koopt dus ook een stuk geschiedenis. Die geschiedenis bepaalt hoe het gebouw eruitziet, hoe het licht naar binnen valt, waar de preekstoel staat en waarom er wel of geen toren is. En ze bepaalt mee wat er later met het gebouw kan. Een korte tocht langs vijf eeuwen kerkenbouw.

1566: een breuk

Het verhaal begint voor een groot deel met een breuk. Tussen 10 augustus en oktober 1566 trok de Beeldenstorm door de Lage Landen. In honderden kerken, kapellen, abdijen en kloosters werden beelden, altaren, doopvonten, koorgestoelten, kansels, orgels en schilderijen vernield of geroofd. De tegenstellingen die daarop volgden, leidden indirect tot de Tachtigjarige Oorlog en het ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

In de Republiek was alleen de Gereformeerde Kerk, later de Nederlandse Hervormde Kerk, de officieel toegestane religie. Katholieken, oudkatholieken, remonstranten, lutheranen en doopsgezinden kerkten in schuilkerken: gebouwen die van buiten niet als kerk herkenbaar waren. In de steden zaten ze in huizen en pakhuizen, op het platteland zag een kerk er vaak uit als een schuur. Eerst werden ze oogluikend gedoogd, later konden gemeenten tegen betaling een vergunning krijgen, soms met de voorwaarde dat de kerk buiten het dorp lag of alleen een rieten dak had.

Het Arsenaal, Doesburg – Het Arsenaal aan de rand van de binnenstad
Het Arsenaal aan de rand van de binnenstad, Het Arsenaal, Doesburg. Foto: Redres

Een kerk is nooit alleen een gebouw. Het is de neerslag van een gemeenschap, van haar geloof, haar geld en haar tijd.

De overheid bouwt mee

In de negentiende eeuw veranderde dat beeld. Tussen 1824 en 1875 werden in Nederland kerken gebouwd onder toezicht, en soms naar ontwerp, van ingenieurs van Rijkswaterstaat, vaak met financiële steun van de landelijke overheid. Dat zijn de waterstaatskerken. Ze hebben geen eigen stijl, al lijken vooral de kerken uit de eerste decennia van de regeling veel op elkaar; vandaar het misverstand dat de overheid het uiterlijk bepaalde, en het gezegde ‘wat er staat is Waterstaat’.

Voor de katholieke kerk kwam het grote keerpunt in 1853. Met de pauselijke bul Ex Qua Die van paus Pius IX werd de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland hersteld: er kwam weer een Nederlandse kerkprovincie, met eigen bisdommen. Dat leidde tot protest, de Aprilbeweging, en het kabinet-Thorbecke trad af. Maar het opende ook de deur naar een nieuwe golf van kerkenbouw.

Cuypers en de neogotiek

Geen architect is zo met die golf verbonden als Pierre Cuypers (1827–1921) uit Roermond. Hij is bij het grote publiek bekend van het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam, maar hij was in de eerste plaats een architect van kerken. Hij ontwierp er meer dan honderd, waarvan er ongeveer zeventig werden gebouwd; zijn eerste kerk bouwde hij in 1853–1854 in Oeffelt. Daarnaast ontwierp hij kapellen en kloosters en restaureerde hij tientallen oude kerken.

Cuypers bouwde in de taal van de neogotiek: spitsbogen, hoge schepen, rijk beschilderde interieurs. Niet iedereen was daar blij mee; sommige niet-katholieken vonden dat hij Nederland terugvoerde naar de ‘donkere middeleeuwen’. Zijn interieurs zijn later vaak verminkt. Maar zijn invloed reikte ver, tot architecten als H.P. Berlage en Michel de Klerk.

Sint Lambertuskerk, Maastricht – de voormalige Sint Lambertuskerk aan het Emmaplein
De voormalige Sint Lambertuskerk aan het Emmaplein, Sint Lambertuskerk, Maastricht. Foto: Redres
O.L.V. Onbevlekt Ontvangen-kerk, Den Helder – het interieur met de rondboogvensters
Het interieur met de rondboogvensters, O.L.V. Onbevlekt Ontvangen-kerk, Den Helder. Foto: Redres

De twintigste eeuw: baksteen en eigenzinnigheid

In het begin van de twintigste eeuw werd er volop gebouwd, ook door de protestantse kerken. Veel van de kerken die Redres verkocht, komen uit die tijd. De Sionskerk in Tilburg werd in 1923 voor de gereformeerde gemeente ontworpen door Albert Kool. De Zuiderkerk in Assen werd in 1924–1925 gebouwd voor de Gereformeerde Kerk Assen, naar ontwerp van J. Smallenbroek en Zn, in een traditionalistische stijl met invloeden van de Amsterdamse School. De Elimkerk op Heijplaat in Rotterdam dateert uit 1925, de Prinsesselaankerk in Beverwijk uit 1927.

De Amsterdamse School gaf kerken een eigen, expressieve vormtaal. De kerk van Oterleek, uit 1925, is daar een bescheiden voorbeeld van: een tongewelf, houten lambrisering, handgeglazuurde tegels en glas-in-lood, in een West-Fries lintdorp. In Musselkanaal staat een rijksmonumentale zaalkerk uit 1926 van architect A.H. Kleinenberg, met houten paraboolspanten boven de kerkzaal; Redres biedt die kerk nu te koop aan.

Kerk van Oterleek – de kerkzaal met het tongewelf
De kerkzaal met het tongewelf, Kerk van Oterleek. Foto: Redres

De kerken uit de jaren twintig zijn vaak niet groot, maar wel eigenzinnig: baksteen, hout en glas, met de hand gemaakt.

Na de oorlog: de Bossche School

De Tweede Wereldoorlog liet ook kerken in puin achter. Vooral in Noord-Brabant werden honderden kerken beschadigd of verwoest. Om architecten op te leiden die de herbouw aankonden, werd tussen 1946 en 1973 in het Kruithuis in ’s-Hertogenbosch een driejarige cursus Kerkelijke Architectuur gegeven. Daaruit groeide de Bossche School: een traditionalistische stroming rond het gedachtegoed van Dom Hans van der Laan, waarin ruimtewerking en evenwichtige maatverhoudingen centraal staan. Het hoogtepunt lag in de jaren zestig en zeventig.

Tegelijk bouwde Nederland in de wederopbouw nieuwe wijken, en in die wijken nieuwe kerken. De Hofkerk in Delft wordt wel genoemd als typische kerk uit die periode. In 2007 werd een Top 100 van bouwwerken uit 1940–1958 voorgedragen voor erkenning als rijksmonument, in 2013 gevolgd door negentig werken uit de late wederopbouw (1959–1965). Ook die jongste generatie kerken is dus erfgoed geworden.

Wat dat betekent voor nu

Die geschiedenis is geen bijzaak als een kerk een nieuwe eigenaar zoekt. Een middeleeuwse kerk met een protestants interieur vraagt om een andere benadering dan een neogotische kerk met beschilderde wanden, of een zaalkerk uit de jaren twintig waar de hele ruimte één gebaar is. De bouwtijd bepaalt de constructie, de lichtval, de akoestiek en de mogelijkheden voor isolatie. De monumentstatus bepaalt wat er mag. En de oorspronkelijke gemeenschap bepaalt vaak wat er gevoelig ligt.

Daarom begint een goede verkoop bij het lezen van het gebouw: wanneer en voor wie werd het gebouwd, wat is er nog origineel, wat zegt de architectuur? Pas dan kun je laten zien wat een kerk kan worden, en vind je een koper die het verhaal wil voortzetten.

een initiatief van redres.

Een kerk, klooster of kapel verkopen, of zoekt u er een?

kerktekoop.nl wordt uitgegeven door Redres de Bouwkunstmakelaar, sinds 2003 makelaar in erfgoed, architectuur en bijzonder vastgoed, landelijk actief vanuit Hilversum.

kerk verkopen met redrescontact met redres